Het islamdebat voorbij: een pleidooi voor ratio en actie

Rellen in Molenbeek, boertige jonge allochtonen in Vorst, een moslima die haar hoofddoek verdedigt, een imam die oproept tot een scholenboycot, meer en meer doden in Irak en Afghanistan… Het moest en zou het voorbije jaar allemaal door de mangel gaan van wat zo stilaan een zeer monolithisch ‘islamdebat’ is geworden. Alles wordt herleid tot ‘cultuur’ en ‘identiteit’ en wie die kijk niet deelt, is naïef of onkritisch. Dat stemt mij ongemakkelijk. Het katapulteert mij terug in de tijd toen ik als kind in Mechelen school liep. Daar waren ook alle ogen gericht op mij, als vreemde. In die ogen zag ik een spiegel van wat anderen vonden dat ik moest zijn, niet wie ik was. Het is een gevoel waarmee ik opnieuw worstel sinds er, in de nasleep van 9/11, geen rem meer lijkt te staan op de islamofobie. Het debat vertoont, ook onder progressieven, akelig bruine kantjes. En bovenal: het mist perspectief, toekomst. De 21ste eeuw is bijna een decennium ver en de migratie in onze contreien een halve eeuw oud. Het is hoog tijd om een aantal heilloze paden te verlaten.

Van holle en bolle spiegels

“Slaat uw vader uw moeder?” Het waren bizarre, schokkende vragen die soms op mij werden afgevuurd op de speelkoer. “Dat is toch zo in het land waar je vandaan komt?” Ik zag in die vragen en de bijhorende blikken een wereld die mij vreemd was, maar waar ik op een of andere manier moest aan conformeren. Ik was het meisje met de naam die in het beste geval aan onmetelijke, zwoele zandwoestijnen en sprookjes van duizend en een nacht deed denken, in het slechtste geval aan mannen met baarden, hellezwaarden en –natuurlijk- harems. Het is, zeker voor een kind, een akelig gevoel wanneer je zo’n keurslijf wordt aangepast. Hetzelfde mechanisme, maar scherper, systematischer en slechter geïntentioneerd, zag ik de afgelopen maanden -en bij uitbreiding al jaren, sinds 9/11- aan het werk in het zogenaamde ‘islamdebat’.
De meest diverse gebeurtenissen waar hier bij ons in België en elders, van New York tot Kabul of Bagdad, mensen met Arabische namen of roots bij betrokken waren, moesten plots in één verklaringsmodel worden gepropt. Achterstelling en criminaliteit in Molenbeek, geweld in Israël-Palestina, aanslagen in Irak en Afghanistan: de islam werd een sleutel waarmee alles en dus niets geduid kon worden. Eerder uit wanhoop en angst dan uit honger naar kennis, werd er collectief naar cultureel-identitaire en religieuze referenties gegrepen.

De wind van die geestesvernauwing woei aanvankelijk uit ultrarechtse en conservatieve hoek, maar heeft geleidelijk aan ook progressieve stemmen ingepalmd. Het resultaat is een spiegel die lelijke details uitvergroot, complexe werkelijkheden vervormt en verengt tot een pensée unique. Wie het debat niet op die condities wil voeren, krijgt de lelijkste verwijten naar het hoofd geslingerd. Het is een spiegel die uiteindelijk meer zegt over diegene die hem voorhoudt dan over wie er zich in gespiegeld zou moeten zien.

Het afgelopen jaar had ik gelukkig ook positievere deja vu’s. Toen Barack Obama een nagenoeg exclusief zwart publiek op het hart drukte om geboden kansen ook te grijpen, stond ik plots weer voor die ene juf die ook mij in mijn schooljaren onafgebroken stimuleerde om beter te doen. Ik herkende haar oprechte bekommernis ook in wat Ahmed Aboutaleb, burgemeester van Rotterdam en voormalig staatssecretaris sociale zaken, antwoordde na een gelijkaardige ‘donderpreek’ op de vraag uit het publiek: “Waarom bent u zo streng voor ons? U bent toch één van ons?” Aboutaleb zei, in het Berbers: “Omdat ik van u hou.” Het is het soort spiegel dat een mens vergroot, eerder dan verkleint.

Obama, Aboutaleb en die ene juf: ze hebben gemeenschappelijk dat ze streng maar rechtvaardig en verlichtend opvoedend zijn. Alle drie spreken ze ook met de nodige geloofwaardigheid en legitimiteit. Hun houding getuigt van een heel andere gestrengheid dan die van de vermanende vinger waarmee in het islamdebat met name door linkse publicisten wordt gezwaaid. Echte kritische zin helpt mensen ook echt vooruit. Tussen beide spiegels, de verkleinende en de vergrotende, blijft er in dit hele debat en, belangrijker, in die wonderlijk weerbarstige diverse samenleving die de onze is, veel buiten beeld. Daarover wil ik het hier hebben. Over wat we verliezen door de toenemende fixatie op het cultureel-identitaire. En over wat we zoveel beter zouden kunnen en moeten doen.

Op een hellend vlak naar nergens

De pensée unique is meer dan een jammerlijke verarming van het debat. Ze heeft bepaald onfrisse en gevaarlijke kantjes, zoals Sami Zemni overtuigend aantoont in zijn boek Het islamdebat. Hij heeft het over “de totale onwil en onkunde om de processen van conflict en verandering door een andere dan cultureel-religieuze bril te bekijken”. Geruisloos is een grens overschreden en mondde een initieel bevrijdende parler vrai uit in een tsunami aan islamofobie en wat Zemni onomwonden “een nieuw racisme” noemt.

Twee grote oorzaken hebben die verscherping in de hand gewerkt. Enerzijds was er de confrontatie met een hele reeks gebeurtenissen, van 9/11 tot rellen in de banlieus van Parijs en dichterbij huis, waarvoor we niet meteen pasklare analyses vonden. De oorzaken en gevolgen van die gebeurtenissen waren en zijn vaak zeer complex en uiteenlopend. Maar de drang naar een Antwoord joeg velen in de armen van de causaliteit. Daar bovenop bood de cultureel-identitaire analyse een comfortabele, want sluitende uitleg.

Anderzijds werd de verscherping aangewakkerd door het opgejaagde gevoel dat we met het in het verleden gevoerde beleid –zeg: knuffelbeleid- niets zijn opgeschoten en dat met name in linkse hoek dit failliet altijd weer met de politiek correcte mantel der liefde is toegedekt. Links heeft in het verleden ongetwijfeld te weinig oog gehad voor de culturele dimensie van sommige samenlevingsproblemen, maar ik voel mij als linkse politica evenmin geroepen om mij te verontschuldigen voor de aandacht die we hebben geschonken aan mechanismen van sociaal-economische uitsluiting. Integendeel, wie de blijvend schrijnende cijfers over levensstandaard, achterstelling en ongelijkheid, schooluitval en werkloosheid bestudeert, kan niet anders dan besluiten dan dat het knuffelbeleid of mislukt is of nooit iets anders is geweest dan een hersenschim van rechts (en nu dus ook soms van links).

We kregen een vloedgolf aan vermeend islamo-kritische stemmen in de plaats. Het gros van die betogen vertoont eenzelfde stramien. Pin Mohammed vast op zijn moslim-zijn. Definieer in zijn plaats wat dat moslim-zijn dan inhoudt: doe dat vooral op een beperkende en niet door historische of actuele kennis van zaken gehinderde manier. Voeg er als obligate verschoning aan toe dat je niet wil veralgemenen en, bovenal, dat jij vertrekt van een onwrikbare set aan (Westerse) normen en waarden. Eigen jezelf op die manier het monopolie op verlichting, vrijheid en emancipatie toe. Sluit de andere uit in je discours dat pretendeert insluiting na te streven.
Construeer, isoleer, stigmatiseer, vereng, veralgemeen en culpabiliseer. Het zijn beproefde technieken. Zemni wijst op de akelige gelijkenissen met het spook dat ook in het interbellum door Europa waarde. Het is niet zo’n grote stap van de ‘eeuwige jood’ naar de ‘essentiële moslim’. We kennen het vervolg van dit soort ontmenselijkende processen. Een andere eigenaardigheid van dit dwingende eenheidsdenken is dat het elke ‘kritiek op de kritiek’ bij voorbaat in de kiem smoort. Wie aandacht vraagt voor feiten en nuances moet wel ‘hardleers’ zijn, naïef en blind, politiek correct en soft. Wie kanttekeningen plaatst, is een multiculturele dromer of –het nieuwste verwijt- een islamogauchist.

Dit soort denkers wil helemaal geen debat, ze willen vooral gelijk krijgen. Als de botsing van de beschavingen van Samuel Huntington zich niet voordoet, zullen zij er er wel voor zorgen. Zie je wel? Dat is het waarlijk nefaste aan het eenheidsdenken over diversiteit. Het heeft een hoog self fulfilling gehalte en maakt van halve leugens hele waarheden. Want pin Mohammed maar lang genoeg vast op een monolithisch cultureel-identitair beeld en hij zal er, uit frustratie, daadwerkelijk ook aan gaan conformeren. Wie nieuwe Belgen voortdurend de verkleinende spiegel voorhoudt, bemoeilijkt het werk van de Obama’s, de Aboutalebs en vele anderen die ook in ons land hun verantwoordelijkheid proberen op te nemen. Wat Zemni “emotionele pseudoanalyses” noemt, jaagt de ratio verder weg en saboteert ook elke concrete en kritische actie die het samenleven daadwerkelijk kan verbeteren: van de moslimhervormer tot de straathoekwerker, van de Marokkaans-Belgische kunstenaar die het getto probeert te verlaten tot de jonge moslima die haar isolement alleen maar ziet toenemen.

Het eenheidsdenken in het islamdebat helpt ons geen millimeter verder. Het staat een echt kritische zin in de weg, bestendigt bestaande blokkeringen en creëert er nieuwe bij. Het is tijd om dit hellend vlak naar nergens te verlaten. “Ons gedrag moet er niet toe leiden dat we een groep precies die kant op drijven waar we ze niet willen hebben”, zei de Amsterdamse burgemeester Job Cohen. “Als mensen zich hier niet thuis voelen zal hun loyaliteit altijd ergens anders worden gezocht. Integratie, erbij horen en meedoen kost tijd, meer tijd dan ons lief is. We zullen alles op alles moeten zetten om verdere polarisatie te voorkomen (…). Daarvoor zullen wij vele krachten in de samenleving moeten mobiliseren – zowel bij de meerderheid als bij de minderheid. Wij kunnen maar beter gaan denken in termen van ‘wij’ in plaats van improductief onderscheid te maken tussen ‘Nederlanders vs. allochtonen’, ‘Nederlanders vs. moslims’, ‘meerderheid vs. minderheid’.”

Van het geloof en de werken

Laten we dus ophouden met de obsessie om het Geloof te zien als nagenoeg enige sturende kracht van menselijke gedragingen in Molenbeek, Borgerhout of Hoboken. Verleg het accent van het Geloof naar het geloof in de mens. Dat zou voor linksen, met een voorgeschiedenis in de arbeiders- en andere emancipatiebewegingen, een evidentie moeten zijn. Slagen we er met name in de steden in om angst, vernedering en conflict om te buigen in hoop, dialoog en reële beterschap? Om, in de woorden van Job Cohen, “de boel bij elkaar te houden”? De islam heeft daarin, net zoals elke andere religie of levensbeschouwing, wel degelijk en in vele maten en varianten van beleving zijn plaats als “ankerpunt” voor heel wat mensen. Het is zaak de verbindende elementen in die beleving te honoreren en de uitsluitende tendensen ervan in te dijken en finaliter te weren.

Als opinie- en beleidsmakers en andere verantwoordelijken in de verschillende gemeenschappen erin slagen om die focus opnieuw juister te richten, krijgen we ook recht van spreken om op alle niveaus niet alleen de boel bij elkaar te houden, maar ook om foute boel recht te trekken. Zo kan een zorgzame overheid het zich niet veroorloven om de andere kant op te kijken als het jongeren massaal kansen ziet vergooien door spijbelgedrag.
Ingrijpen moet een overheid ook als de veiligheid in gevaar wordt gebracht. Zelfs al moeten we altijd oog blijven hebben voor de diepere wortels van geweld: er is contestatie die voortkomt uit reëel en voortdurend onrecht en we weten allemaal dat emancipatie altijd strijd zal vergen en er nooit op eenvoudig en vriendelijk verzoek komt. Maar we moeten ook durven zeggen wanneer de excuses uitgeput zijn. Een zorgzame overheid behoudt ten allen tijde het monopolie op geweld en waakt over een paar fatsoensnormen. Veiligheid is geen links of rechts verhaal, het heeft een gemeenschappelijke en verbindende sokkel. Iedereen wil veiligheid en wie die van een ander in gevaar brengt, moet doordrongen worden van het besef dat het als een boemerang terugkeert: de geweldenaar spuwt ultiem in zijn eigen gezicht. Hetzelfde geldt trouwens voor economische veiligheid. De zorgzame overheid moet doen wat ze kan om de markt tot een sterk, sociaal en maatschappelijke verantwoord ondernemersklimaat te bewegen. Maar net zo goed moet ze met name jongeren op het hart blijven drukken dat er met de geboden kansen niet gemorst mag worden. Een zorgzame overheid die perspectieven biedt, kan ook met gezag grenzen stellen. Zonder dat er enig cultuurrelativisme moet aan te pas komen, legt ze de lat ook hoog en afdwingbaar voor een aantal elementaire samenlevingsafspraken: geweldloosheid binnen en buiten de muren van de huiskamer, geen racisme of discriminatie op basis van geslacht, leeftijd, afkomst of geloofsovertuiging.

Zo’n overheid toont zijn geloof in de mensen via de werken die het verricht om de boel bij elkaar te houden. Als de overheid en bij uitbreiding alle verantwoordelijke dragers van staat en samenleving op al die fundamentele fronten hun credits verdienen, kunnen ze ook geloofwaardig interveniëren in cultureel-identitaire en dus levensbeschouwelijke materies. We moeten niet de andere kant opkijken, en ons op een nogal perfide manier verschuilen achter de scheiding van kerk en staat, wanneer in een moskee opruiende taal wordt gesproken. Of wanneer mensen in de publieke ruimte hun recht op godsdienstvrijheid op een exclusieve, uitsluitende manier opeisen.
Wat mij het meeste stoort aan de luidruchtigste islamcritici, is dat ze ten gronde geen enkele moeite nemen om die godsdienst en haar volgelingen te leren kennen. Veelal beperkt hun verdieping in de materie zich tot een exegese van de Koran, ironisch genoeg op de beperkende en letterlijke manier die ze hun tegenstanders verwijten. Maar weten ze wat er echt omgaat in de huiskamers en moskeëen van Molenbeek en Vorst? Ik denk het niet. Zo luidruchtig het verwijt publiek en collectief klinkt, zo stil en laks zijn we in werkelijkheid in de feiten. In Marokko zelf verbaast men er zich over dat we in België islamleerkrachten uit dat land importeren in plaats van ze zelf op te leiden. In schril contrast met het publieke misbaar tolereren we intussen dat leerkrachten met een gesloten doctrine, die in Marokko zelf uit de klassen geweerd worden, onze schoolkinderen uitsluitende eerder dan verbindende sociale vaardigheden inlepelen. Tot zover dus de heilige verontwaardiging. Op dezelfde manier schiet het emotionele debat voor of tegen moskeëen en minaretten wel heel erg zijn doel voorbij. Zouden we niet beter meer interesse tonen voor wat er in die moskeëen gebeurt?

Nieuwe stemmen school laten maken

Ingrijpen moet, maar het kan alleen maar efficiënt gebeuren als onze intenties om tot een rijke en diverse samenleving, geen melting pot, te komen ook zuiver zijn. Daarom is er vreselijk veel nood aan publieke fora. Hebben we dat niet al allemaal eens geprobeerd, hoor ik u zuchtend denken? Nee, we hebben dat nog niet allemaal geprobeerd. En ik heb het hier nu even niet over theekransjes en couscousavonden maar over een zo goed als ontbrekende cultuur van reële, indringende ontmoeting. Er is nood aan publieke ruimtes waar we samen kunnen vieren, denken, praten, maar net zo goed rouwen. Zo werd er in Antwerpen, kort na de moordende raid van Hans Van Themsche –een momentum waarop, net zoals bij de moord op Loubna Ben Aissa, mensen van allerlei pluimage zich verenigd voelden in hun woede en verdriet-, beslist om in het stadspark een ruimte te creëren waar diverse levensbeschouwingen samen kunnen rouwen. In Nederland ontwierp een architecte van Marokkaanse origine een plan voor een open moskee, gericht op de wijk.

Nog meer denk ik aan ontmoetingsplekken die niet gebonden zijn aan fysieke grenzen. Haaks op het verengende discours over diversiteit staat de verruimende werking van kunst en cultuur. Op dat vlak staan we nog maar aan het begin van wat mogelijk is. De Brusselse KVS blijft met zijn natuurlijk geworden interculturele reflex een gelukkige uitzondering. Maar meer, véél meer, moet mogelijk zijn.

Kunst is op z’n best altijd een creatieve motor van een samenleving, a fortiori in een moderne, veelkleurige en stedelijke omgeving. Waar mensen geraakt worden, in positieve of negatieve zin (en nog het vaakst die twee tegelijkertijd), ontstaat er discussie. En waar discussie begint, is er interactie en dat is het begin van alle samenleven. Kunst en cultuur beleven is een manier om met verschillen én gelijkenissen om te gaan, ze een plaats te geven. Het helpt, beter dan welk debat ook, om begrippen als diversiteit en integratie van een abstract niveau naar de praktijk van het samenleven te brengen. Kunst werkt daarbij niet alleen op het niveau van ideeën of gevoelens, ze kan ook reële sociale hefbomen in gang zetten. Zoals Nabil Ben Yadir, de regisseur van Les barons, zegt: kunst was voor hem de enige manier om uit de wijk te ontsnappen.

En dan is er nog de ontmoetingsplek waar iedere mens zijn of haar eerste en belangrijkste indrukken van mens, leven en wereld opdoet: de school. Oneindig veel meer is ook daar nog mogelijk om de diverse samenleving over de karikatuur van utopie/drama heen naar het niveau van de werkbare realiteit te tillen. Er is het nobele initiatief van School in Zicht dat onder meer in Borgerhout en Molenbeek autochtone ouders wil aanmoedigen om hun kinderen naar ‘zwarte’ scholen te sturen. Het is een kleinschalig privé-initiatief, waarvan de praktische inspiratie wel een bredere, actieve ondersteuning verdient. Structurele ingrepen zoals deze, maar ook de inspanningen in het kader van het Gelijke Kansendecreet, zijn nodig. Maar nog belangrijker is de schoolpraktijk. Het is daar, tijdens de lesuren, dat honderdduizenden jongeren elke dag kansen op kennis en levenservaring krijgen. Het is daar dat de diversiteit van de samenleving een natuurlijk gegeven moet worden, in de lessen en daarbuiten. Het loont in dit verband de moeite om eens het oor te luisteren te leggen bij een jongere generatie, bij mensen die minder beladen –of erger: getraumatiseerd- zijn door onze ‘oude’ discussies over kerk en staat, autochtonen en allochtonen, wij en zij.

“Jongeren willen weten waar hun leeftijdsgenoten vandaan komen’’, schreef Koen Stuyck, hoofdredacteur van het jongerenpersagentschap StampMedia naar aanleiding van het schrappen van een les over Marokko in een basisschool in Wommelgem. De school wilde met die les een project afsluiten dat de leerlingen iets wilde bijbrengen over de geschiedenissen, godsdiensten en culturen –alles in het meervoud- van iedereen die in België woont. Die ingreep kwam er na protest van een oma van een leerling, tevens VB-gemeenteraadslid. Stuyck schreef: “Zij (jongeren sinds de jaren negentig, YI) zien individuen met hun eigenheden net zoals zij zelf, ingebed in de veelvuldige relaties die ze hebben met andere leeftijdsgenoten. (…) Wij (volwassenen, YI) daarentegen , zien geen individuen maar wandelende vaten vol probleemsituaties. Wij (…) vergiftigen hen steeds opnieuw met achterhaalde ideëen zoals ‘hoe bewaren we de homogeniteit van onze samenleving’, of ‘hoe zorgen we ervoor dat iedereen hier zich volgens de normen gedraagt’, of ‘hoe blijven we onze visie op de geschiedenis doordrukken’. Het is in essentie een negatieve houding. Sterker nog: het zijn de uithalen van een verleden dat probeert het heden in het gareel te houden. Een verleden waarin het conflictmodel dat sinds mensenheugnis de dienst uitmaakt onze relaties met anderen beheerst.” Stuyck zegt iets verderop in zijn artikel nog duidelijker waar het op staat, en het roept bij mij opnieuw herinneringen op aan mijn schooltijd in Mechelen. “Wist ik iets over Marokkanen toen ik als jonge gast door Borgerhout fietste en dat stadsdeel nog Borgerokko heette? Neen, want op school kreeg ik er niets over te horen, hoewel de eerste georganiseerde transfer van arbeiders al van half jaren zestig dateerde, zo’n vijftien jaar voor mijn fietstochtjes.”

Ziedaar een vlijmscherpe illustratie van het echte dagelijkse, herhaaldelijke en collectieve schuldige verzuim. Het is in dit soort stemmen, jonge en nieuwe, dat de echte kritiek van de diverse samenleving doorklinkt. Je zou hopen dat zulke stemmen sneller school maakten dan de “emotionele pseudoanalyses”. Het is vanuit de praxis en met zulke nieuwe stemmen in de diverse gemeenschappen dat we misschien maar eens moeten komen tot een nieuw (inter)cultuurpact. Niet om naast de oude, ‘Vlaamse’ kapelletjes nieuwe te bouwen, wel om de praktijk van de diverse samenleving te schragen met een visie op welbegrepen gemeenschappelijke belangen. Laat ons werken aan zo’n samenleving die de vervreemding, het conflict, het trauma van het onbegrip en de verschoning voorbij is. Ons geloof in een duurzame, natuurlijk diverse samenleving zal uiteindelijk uit de werken moeten blijken.

Advertenties

One thought on “Het islamdebat voorbij: een pleidooi voor ratio en actie

  1. Ik bekeerde mij in 1995 Bart werdt Ilias. ging naar de Moskee deed Ramadan gaf mijn zonen Moslimnamen.Ik was me reeds lang bewust van het feit dat ik gelovig was.Vandaag leef ik in perfecte harmonie met twee culturen.Ik bid , vast en beleef de tradities van mijn eigen ouders en van mijn schoonouders.Onlangs verontschuldigde mijn schoonmoeder zich bij mijn moeder, verliet de tafel en ging in een hoek van de woonkamer bidden.
    Rédouan en Anouar leer ik de Islam , en de Christelijke waarden,ook informeer ik hen de benadering van andere overtuigingen .En waar we gelijkgestemd zijn.Sinds kort wordt ik als “afvallige” nageroepen.
    Hoezo ? iedereen is toch Moslim, sommige weten het noch niet maar ik ben er me bewust van.Wat gebeurt er mag openheid en emancipatie niet?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s